Ik ben een dorpsmeisje. Ik ben geboren in een dorpje met een brink in Brabant. Tegenwoordig woon ik in een dorpje in het Groene Hart. Dorpjes vind ik leuk. Je komt er altijd dezelfde mensen tegen en je bent altijd twee handshakes away van willekeurig welke andere persoon in het dorp.
Een tijdje terug was ik begonnen aan een boek van Toon Kortooms, dat gaat over een kleinburgerlijke preoccupaties in een dorp, in een tijd dat de pastoor nog belangrijk was in Brabant. Het deed mij erg denken aan Don Camillo van Giovanni Guareschi. Dat is ook zo’n klucht waarin die kleinzerige gevoelens van mensen, zoals het verlangen naar aanzien, breed worden uitgemeten.

Misschien hebben we het allemaal wel nodig om iemand anders te haten. Hoewel haten een groot woord is. Misschien is een kleine bekende vijand in zo’n dorpje, iemand die je elke dag ziet en waar je je met plezier over kunt opwinden, wel veel beter dan een anonieme vijand die je helemaal niet kent.
Comunque, een week of twee geleden werd ik door mijn man getipt om eens te luisteren naar de podcast van schrijver Frank Heinen en zijn vader. Dat deed ik dit weekend en ik vond het wel verrassend te ontdekken dat ze veel affiniteit hebben met Italie. Ik luisterde naar een aflevering over het Italiaanse boek Christus kwam niet verder dan Eboli (wat zich overigens niet in Eboli afspeelt, maar in Gagliano) en deelde de aflevering meteen met wat leerlingen.
In dat boek van Carlo Levi, gaat het ook over de armoede van het Italiaanse platteland in Zuid-Italie. Het deed mij sterk denken aan Fontamare, van Ignazio Silone, wat ik toevallig een paar weken eerder las. Het gaat allebei over boeren die nog geen nagel hebben om aan hun gat te krabben. Deze boeren uit het Zuiden werden ‘cafoni’ genoemd, wat eigenlijk een soort scheldwoord is op de manier waarop ‘homo’ in Nederland ook een scheldwoord is en tegelijkertijd de naam van een groep mensen.
Mooi is dat zowel Levi als Silone deze cafoni met liefde behandelen. Je zou het bijna een soort van klasse toerisme kunnen noemen, maar feit blijft wel dat deze mensen met hun barmhartige blik veel hebben betekend voor de ontwikkeling van het Zuiden. Een leven in extreme armoede met een meerderheid van de bevolking die met malaria leeft hoeft niet geromantiseerd te worden.
Wat ook wordt beschreven, met succes, is die kleinzieligheid van mensen, de kleingeestigheid en de bekrompenheid. Bij Levi wordt die vooral te kijk gezet bij de kleine burgerij. Levi had ook wel een communistische orientatie, hij was een tegenstander van het fascisme. Hij zet daartegenover een romantisch beeld van de armoedzaaier die een leven heeft vermengd met magie. Naar mijn mening een andere vorm van kleingeestigheid, zonder daar veel afbreuk aan te willen doen.
In de podcast van Heinen hoorde ik vader Heinen zijn interesse voor antropologie. Ik heb daar wel een boekentip voor op de radar. De antropoloog Ernesto di Martino heeft een boek geschreven over magie in het Zuiden van Italie. Dat is een antropoloog uit het verleden, zoals Margaret Mead dat ook was. Zij konden in hun tijd dingen vastleggen die nu niet meer vast te leggen zijn doordat de maatschappij compleet is veranderd.
Wat ik leuk vind aan Italie is dat je dit soort dingen kunnen overkomen. Dat je teruggaat in de geschiedenis en dat je dan een oudere geschiedenis vindt. Dan krijg je allemaal meta discussies. In Italie zijn die vaak terug te leiden in de literatuur tot het slachtofferschap van de geschiedenis. Dat lees je ook duidelijk terug bij Silone. De geschiedenis is een herhaling van zetten. Gewone mensen zulllen altijd slachtoffer zijn van de ambitie en geldzucht van machtige mensen.
Behalve dan bij die brigantaggio, dat was in de periode van de eenwoording van Italie. De boeren kwamen toen zélf in opstand, in plaats van dat ze de geschiedenis ondergingen. Het trieste gegeven is wel is dat dat van hogerhand werd aangestuurd door maffiose types. Daar zou ik nog eens in moeten duiken. In Levi staat er ook een rare anekdote, een soort urban legend over Garibaldi die daarover gaat. Een compleet bizar verhaal dat de cafoni zichzelf vertellen. Een complottheorie om het slachtofferschap te handhaven?
Een ander voorbeeld van de cyclus van de geschiedenis die zichzelf herhaalt: Ik las laatst een stuk over Orlando Furioso. Dat werd geschreven aan het Renaissance hof van Isabella d’Este van Mantova. Dat verhaal gaat over een belangrijke ridder in het leger van Karel de Grote, uit de 8e eeuw. Die Orlando komt dan ook weer terug in het verhaal ‘Il cavaliere inesistente’ van Italo Calvino uit de jaren ’50. De niet bestaande ridder. Het magische dat zich vermengd met het historische, fictie en non-fictie. Het wordt een grote brij.
En dat is dus de reden dat veel Italianen zo cynisch zijn over politiek. Er is altijd een reden om je een slachtoffer te voelen van de geschiedenis, welk verhaal je je ook aanmeet. Met wie je je dan ook identificeert. Het is ongetwijfeld soms het cultiveren van slachtofferschap, maar vaak is het ook een gelatenheid. Lees De geschiedenis maar eens van Elsa Morante, dat gaat daar ook over.
Maar het platteland, dat is wat mij betreft het echte leven. Daar haten mensen nog tenminste hun buurman. Die ze heel goed kennen. Waar ze kaart mee spelen. Die ze een klap verkopen en de volgende dag weer onder ogen moeten zien. Dat kluchtachtige aspect van de geschiedenis in een dorp, het kennen van je vijand tot in zijn diepste porieen. Misschien is dat waar mensen in deze verwarrende tijd naar terugverlangen.


Geef een reactie